Op dat moment verschoof de hele wereld. Weg. Vanonder mijn voeten. Het geluk viel in een zwart gat. Je wou niet meer bij me zijn. Dat had je me duidelijk gemaakt. En nu was het alleen nog de stilte die sprak. Die pijnlijke stilte die de woorden steeds opnieuw herhaalde in mijn hoofd. Die de gebeurtenis steeds weer, als een filmrol, deed her afspelen in mijn hoofd. En ik kon het niet veranderen. Ik kon het niet stoppen. Ik wou smeken. Smeken, dat je me weer in je armen zou nemen. Maar dat liet ik mezelf niet toe. Want ik wou geen zielig persoon zijn. Dus sprak ik maar een paar woorden uit en vielen er duizend tranen op de grond. Alleen die enkele woorden zijn tot bij je geraakt. De tranen heb je nooit gezien. Daar had ik bewust voor gekozen. Maar ergens wou ik dat je ze wel zag. Dat je eens goed zou zien hoeveel ik om je gaf. Niet zomaar. Dat ik om je gaf, zoals niemand me dat ooit zal kunnen nadoen. En ik kon het je maar niet duidelijk maken. Daar was ik te zwak voor geworden. De pijn in mijn hart, de teleurstelling, de vragen, zorgden ervoor dat ik toeklapte. En niets anders kon doen dan huilen en alles op mezelf steken, niets anders dan de schuld op mezelf steken. En ik werd er gek van dat ik geen deftige zin kon uitspreken. Ik wou iets zeggen, iets zeggen dat je zou raken. Iets dat je weer naar mij zou leiden. Iets dat je zou beseffen dat je een fout aan het maken was, dat je bij mij veilig was en dat er geen enkele reden was om niet bij me te zijn. Om niet meer de jouwe te zijn en jij niet meer de mijne. Geen énkele reden. En ik kon het nog steeds niet geloven. De tranen bleven maar stromen, de vraag 'waarom' bleef maar onopgelost en de dagen waarop ik niet kon slapen stopten maar niet. En dat, weken aan een stuk.
-
"Dus je geeft me nog een kans?" En het waren weer die ogen. Zijn bruine ogen, die zo goed bij het seizoen pasten, dat me deden bezwijken. De gedachte dat ik weer in zijn armen kon zijn en zijn lippen weer tegen de mijne kon voelen. Iets waar ik weken naar verlangt had, iets wat ik dacht dat ik nooit meer zou kunnen met hem. Het was die gedachte dat me deed glimlachen. "Ja, Ik hou toch van je." En alles bleek plots weer in evenwicht. Ik voelde de grond weer onder mijn voeten en ik had weer een reden om te lachen. Want hij was weer de mijne. Ik kon de ketting, waar zijn naam opstond, weer om mijn hals dragen. Ik kon weer naar hem kijken, met de gedachte dat we één waren. Ik kon weer zeggen dat ik van hem hield. En ik kreeg weer te horen dat hij ook van mij hield.
Maar -en dit is iets wat ik meer dan ooit beseft heb- het is gevaarlijk om zoveel van iemand te houden. Want nu ben ik gedoemd om ooit een helse pijn te doorstaan. Want niets blijft duren. Die zekerheid die ik had in het hele begin, was nu weg. Hij had me al eens verlaten, dus kon hij het weer opnieuw doen. Het zou weer eens kunnen gebeuren, op een dag dat ik het weer niet zou hebben zien aankomen. En dan zou ik weer diep in een put vallen. Ja, die angst is er nog steeds. En ik weet niet of het er altijd gaat zijn of, of het gaat vervagen met de tijd. Misschien ga ik met de tijd mijn vertrouwen in het feit dat hij van me houd, terugvinden. Maar nu ben ik nog bang, want hij had eraan getwijfeld. Aan onze liefde. Dus ik geloof hem nu maar half als hij me toefluistert dat hij van me houd. Want ik ben er nu nog meer van overtuigd dat ik veel meer van hem hou, dan hij van mij. Maar dat nog liever dan helemaal zonder hem te moeten leven. Tijd zal deze wonde wel weer helen. En de zekerheid zal wel weer terugkomen.
Dat beloof ik jou, mezelf en ons. Want ik hou toch van je ?
(c) Lara.